Uitspraak
200501056/1(JM 2006/6) geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep kan in zoverre niet slagen.
Raad van State
Verweerder heeft op 30 mei 2006 een milieuvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij annex akkerbouwbedrijf. Appellanten hebben hiertegen beroep ingesteld, met name gericht op stofhinder, visuele hinder, geluidhinder, stankhinder en de naleving van milieuregels.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de gronden van appellanten, waaronder de bezwaren tegen de geluidgrenswaarden en de wijze van toetsing aan geluidhinder, onvoldoende feitelijke grondslag bevatten. Ook de bezwaren omtrent stankhinder, ventilatie-uitlaten, kadaveropslag en stofhinder zijn ongegrond verklaard, omdat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de vergunningvoorschriften toereikend zijn.
Verder is overwogen dat visuele hinder primair een planologisch aspect is en geen reden vormt voor weigering van de vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Bezwaren die betrekking hebben op bouwvergunning en planologie zijn niet ontvankelijk in dit milieurechtelijke beroep.
De Afdeling concludeert dat de vergunning terecht is verleend met de voorgeschreven milieubeschermende maatregelen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de milieuvergunning voor de pluimveehouderij annex akkerbouwbedrijf wordt ongegrond verklaard.