Uitspraak
200410602/1(AB 2005, 430).
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk wees het verzoek af om handhavend op te treden tegen een twee-onder-een-kap woning die in afwijking van de bouwvergunning was gebouwd. De rechtbank Breda vernietigde deze beslissing en beval een nieuwe beslissing op bezwaar.
Het college ging in hoger beroep bij de Raad van State. Het college stelde dat er wel concreet zicht was op legalisering vanwege een voorontwerp bestemmingsplanherziening en dat handhaving onevenredig zou zijn. De Raad van State verwierp deze argumenten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het enkel ter inzage leggen van een voorontwerp bestemmingsplan niet voldoende is voor concreet zicht op legalisering. Ook was de afwijking van de bouwvergunning niet zodanig gering dat handhaving onevenredig zou zijn, mede gelet op het belang van de wederpartij en het tijdstip waarop het college op de hoogte was.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.