ECLI:NL:RVS:2007:AZ8710
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen handhaving intrekking verblijfsvergunning wegens ongewenstverklaring
Appellante had beroep ingesteld tegen de handhaving van de intrekking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, nadat zij door de minister was ongewenst verklaard. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond, maar de Raad van State oordeelt dat de rechtbank het beroep in zoverre niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben. Omdat de ongewenstverklaring ten tijde van het beroep voortduurde, ontbrak appellante het belang bij het beroep tegen de handhaving van de intrekking van haar verblijfsvergunning.
De Raad van State vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin het beroep ongegrond werd verklaard en bevestigt de rest van de uitspraak. Het beroep tegen de handhaving van de intrekking wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de handhaving van de intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens voortduren van de ongewenstverklaring.