ECLI:NL:RVS:2007:BA0688
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat brief Russische consul geen nieuw feit is bij aanvraag verblijfsvergunning
De vreemdeling had eerder een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke was afgewezen. In een latere procedure stelde zij een brief van de Russische consul overgelegd te hebben die niet eerder was ingediend en die volgens haar een nieuw feit zou vormen. De rechtbank had deze brief als nieuw feit aangemerkt en het beroep gegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat de brief van 9 april 2003 op verzoek van de vreemdeling was opgesteld en dat zij deze al in de eerdere procedure had kunnen inbrengen. Daarom kan de brief niet als nieuw feit worden beschouwd. Ook de beantwoording van de Minister van Buitenlandse Zaken over de geldigheid van Russische paspoorten kan niet als novum gelden.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wordt overwogen dat wijzigingen in het recht, zoals het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2005/1 en 2005/5, niet van toepassing zijn op de situatie van de vreemdeling omdat zij niet beschikt over een geldig machtiging tot voorlopig verblijf.
Het beroep wordt afgewezen en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.