ECLI:NL:RVS:2007:BA3907
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister inzake weigering vergunning op grond van discretionaire bevoegdheid
Appellant verzocht de minister om een verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden met toepassing van de discretionaire bevoegdheid. De minister verklaarde het bezwaar tegen de afwijzing van dit verzoek niet-ontvankelijk. De rechtbank onderschreef dit oordeel, maar hield geen rekening met het feit dat appellant expliciet en gemotiveerd om een vergunning had gevraagd op basis van de discretionaire bevoegdheid, die anders is dan afwijking van het ministerieel beleid.
De Raad van State oordeelt dat de brief van appellant van 27 augustus 2003 als een zelfstandige aanvraag moet worden gezien en dat de brief van 26 november 2003 een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is. Hierdoor was het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister en verklaart het beroep van appellant gegrond.
Daarnaast veroordeelt de Raad de Staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van proceskosten en tot terugbetaling van het griffierecht aan appellant. De zaak wordt terugverwezen met het oog op een correcte behandeling van het verzoek om vergunning op grond van de discretionaire bevoegdheid.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd wegens onjuiste ontvankelijkheidsbeoordeling.