ECLI:NL:RVS:2007:BA4511
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste bekendmaking besluit ongewenstverklaring vreemdeling
De Minister van Justitie verklaarde de vreemdeling bij besluit van 21 augustus 2002 ongewenst in Nederland. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluit van 6 december 2004 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde echter dat het besluit niet op de juiste wijze was bekendgemaakt en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond.
De minister stelde in hoger beroep dat hij voldoende onderzoek had gedaan naar het verblijfadres van de vreemdeling, die niet woonachtig was op het laatst bekende adres en geen gemachtigde had. De vreemdeling verbleef ten tijde van het besluit in een penitentiaire inrichting, maar had de minister niet geïnformeerd over een adreswijziging, zoals vereist volgens artikel 4.37 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister niet verplicht was verdergaand onderzoek te doen dan hij had verricht en dat bekendmaking via de Staatscourant een geschikte wijze van bekendmaking was. Het bezwaar van de vreemdeling werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens juiste bekendmaking van het besluit.