ECLI:NL:RVS:2007:BA5582
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding en onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken redelijk vermoeden illegaal verblijf
Appellant werd op 29 maart 2007 staandegehouden en aangehouden wegens overtreding van artikel 447e Sr. Uit het proces-verbaal bleek dat appellant een verlopen w-document toonde en dat hij was uitgezet. De staandehouding vond plaats in het kader van toezicht op de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad van State oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat uit het proces-verbaal niet bleek dat appellant vooraf was verzocht zijn legitimatie te tonen ter controle op naleving van andere wetten dan de Vw 2000 of ter uitoefening van de politietaak. De controle vond plaats op grond van artikel 50, eerste lid, Vw 2000, waarvoor een redelijk vermoeden van illegaal verblijf vereist is. Dit vermoeden ontbrak, waardoor de staandehouding onrechtmatig was.
Verder oordeelde de Raad dat de daaropvolgende vreemdelingenbewaring onrechtmatig was omdat de belangen die de bewaring dienden te beschermen niet in redelijke verhouding stonden tot de ernst van het gebrek. De bewaring werd opgeheven en appellant kreeg een schadevergoeding toegekend. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven en appellant krijgt een schadevergoeding wegens onrechtmatige staandehouding.