Eiser werd op 24 maart 2024 zonder identiteitsdocumenten slapend in een trein aangetroffen en staande gehouden door de politie. Er ontbrak een proces-verbaal van aanhouding, waardoor de staandehouding onrechtmatig werd geoordeeld omdat niet was voldaan aan het vereiste redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat deze onrechtmatigheid niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de daaropvolgende maatregel van bewaring. De belangenafweging viel uit in het voordeel van de staatssecretaris, mede omdat eiser niet meewerkte aan het verhoor, een concreet aanknopingspunt bestond voor overdracht op grond van de Dublinverordening en er een significant risico was dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
De bewaring werd op 25 maart 2024 opgeheven. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.750,- vanwege het gebrek in het voortraject.