ECLI:NL:RVS:2007:BA7118
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- P.A. Offers
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting
Appellante werd op 8 maart 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's Gravenhage verklaarde het beroep van appellante gegrond en oordeelde dat de inbewaringstelling onrechtmatig was omdat er geen voldoende zicht op uitzetting bestond. De minister had na schorsing van de behandeling op 21 maart 2007 een termijn gekregen om nader onderzoek te doen naar de identiteit van appellante, maar dit onderzoek beperkte zich slechts tot een vergelijking van eerder verstrekte identiteitsgegevens.
De Raad van State overweegt dat zicht op uitzetting reeds bij de inbewaringstelling aanwezig moet zijn. Indien er concrete aanknopingspunten zijn die twijfel oproepen, mag de minister onderzoek doen, maar dit mag het uitgangspunt niet ondermijnen. In deze zaak was het onderzoek niet substantieel en de minister bracht de resultaten niet tijdig in het geding.
Daarom was de inbewaringstelling onrechtmatig vanaf 21 maart 2007. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de overige grieven af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de inbewaringstelling van appellante onrechtmatig was wegens ontbreken van zicht op uitzetting.