ECLI:NL:RVS:2007:BA8900
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen weigering eerdere ingangsdatum verblijfsvergunning
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de minister om het bezwaar tegen de vastgestelde ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning ongegrond te verklaren. De vergunning werd verleend met ingang van de dag waarop de aanvraag werd ontvangen, conform artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Appellant stelde dat de minister had moeten afwijken van deze regel op grond van bijzondere omstandigheden, namelijk dat hij drie weken tegen zijn wil in Nederland was vastgehouden en daardoor later een aanvraag kon indienen. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat de minister volgens artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een inherente afwijkingsbevoegdheid zou hebben, maar de Raad van State oordeelde dat deze bepaling niet van toepassing is op het verbindend voorschrift van artikel 26 Vw Pro 2000.
De Raad van State bevestigt dat artikel 26 Vw Pro 2000 een ministerieel verbindend voorschrift is waar niet van kan worden afgeweken via de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb Pro. Hierdoor is het beroep van appellant kennelijk ongegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de minister niet bevoegd is af te wijken van de ingangsdatum van de verblijfsvergunning en verklaart het beroep ongegrond.