Uitspraak
200600859/1.
200600859/1, heeft de Afdeling, beslissend op het hoger beroep van verzoeker sub 1, de uitspraak in zaak nr. AWB 03/4750 van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 december 2005 bevestigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Raad van State
In deze zaak verzochten twee stichtingen de herziening van een eerder bestuursrechtelijk vonnis betreffende de intrekking van een vergunning voor de exploitatie van een kindercentrum. Verzoeker sub 1 stelde dat op grond van documenten verkregen via de Wet openbaarheid van bestuur bleek dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte de vergunning had ingetrokken en dat andere kindercentra met terugwerkende kracht BBL-ontheffingen hadden gekregen, wat strijd zou opleveren met het gelijkheidsbeginsel.
De Afdeling overwoog dat verzoekster sub 2 geen partij was bij de uitspraak waarvan herziening werd verzocht en verklaarde haar verzoek niet-ontvankelijk. Ten aanzien van verzoeker sub 1 werd geoordeeld dat de overgelegde documenten en feiten redelijkerwijs al vóór de uitspraak bekend hadden kunnen zijn en dat het niet tijdig verkrijgen daarvan voor zijn rekening kwam. Daarom voldeden de feiten niet aan de vereisten voor herziening op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb.
De Afdeling wees het verzoek tot herziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 11 juli 2007 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen en het verzoek van een niet-partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.