Uitspraak
200305483/1geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden mocht afzien betekenis toekomt aan de omstandigheid dat artikel 17, zesde lid, van de WRO dwingend is geformuleerd. Dit brengt naar het oordeel van de Voorzitter echter niet met zich dat het college zonder meer gehouden is handhavend op te treden tegen het houden van evenementen als beurzen en (rommel)markten in de sportcentra. Uit de jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2003 in zaak no.
200303315/1, blijkt dat na het verlopen van de termijn waarvoor een krachtens artikel 17, eerste lid, van de WRO verleende vrijstelling geldt, voor de vraag of van handhavend optreden kan worden afgezien, evenzeer van betekenis is of concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Gelet op de stappen die door het college en de sportcentra zijn gezet om ten behoeve van het houden van evenementen in de sportcentra vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO, acht de Voorzitter concreet uitzicht op legalisatie aanwezig. Onder die omstandigheden, en na afweging van de betrokken belangen, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.