ECLI:NL:RVS:2007:BB1294

Raad van State

Datum uitspraak
2 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200704687/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T.M.A. Claessens
  • J.A.A. van Roessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:81 AwbArt. 17 WROArt. 19 WRO
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen herroeping besluiten evenementen in sportcentra Breda

Het college van burgemeester en wethouders van Breda had bij besluiten van 14 september 2006 aangegeven onder voorwaarden tot en met 31 december 2007 geen bestuursrechtelijke dwangmaatregelen te treffen tegen evenementen zoals beurzen en rommelmarkten in drie sportcentra te Breda. De rechtbank Breda verklaarde het beroep van het Koninklijk Verbond tegen deze besluiten gegrond en herroept deze besluiten op 18 juni 2007.

Het Koninklijk Verbond en het college stelden vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde dit verzoek op 26 juli 2007 en overwoog dat het organiseren van deze evenementen in strijd is met de bestemmingsplannen en dat het college bevoegd is handhavend op te treden sinds 1 mei 2006.

Echter, gelet op de stappen die het college en de sportcentra hebben gezet om vrijstelling te verkrijgen krachtens artikel 19 van Pro de WRO, acht de Voorzitter concreet uitzicht op legalisatie aanwezig. Daarom ziet hij aanleiding om de uitspraak van de rechtbank voorlopig te schorsen. Tevens worden de griffierechten aan het college en Optisport Breda B.V. terugbetaald.

Uitkomst: De Voorzitter schorst de uitspraak van de rechtbank Breda en wijst de voorlopige voorziening toe.

Uitspraak

200704687/2.
Datum uitspraak: 2 augustus 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:
1.    het college van burgemeester en wethouders van Breda,
2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Optisport Breda B.V.", gevestigd te Breda,
verzoekers,
tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/5708, 06/5709 en 06/5710 van de rechtbank Breda van 18 juni 2007 in het geding tussen:
de vereniging "afdeling Regio Breda van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland", gevestigd te Breda,
en
verzoeker sub 1.
1.    Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 14 september 2006 heeft verzoeker sub 1 (hierna: het college), voor zover thans van belang, aangegeven onder voorwaarden tot en met 31 december 2007 geen bestuursrechtelijke dwangmaatregelen te treffen ten aanzien van de organisatie van evenementen zoals beurzen en (rommel)markten in het Optisport Racketcentrum Breda, het Inslag Sportcenter en het NAC-stadion te Breda (hierna: de sportcentra).
Bij uitspraak van 18 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door de vereniging "afdeling Regio Breda van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland" (hierna: het Koninklijk Verbond) daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden besluiten herroepen.
Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 6 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en verzoekster sub 2 (hierna: verzoekster) bij brief van 9 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.
Bij dezelfde brief als waarmee hoger beroep is ingesteld heeft het college de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 9 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda, en mr. drs. R.M.J.F. Meeuwis, ambtenaar van de gemeente, en verzoekster, vertegenwoordigd door mr. N. Kolthof, advocaat te Rotterdam, en [directeur] van verzoekster, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord het Koninklijk Verbond, vertegenwoordigd door ing. J.A.L. van Engelen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Het organiseren en houden van evenementen zoals beurzen en (rommel)markten in de sportcentra is in strijd met de gebruiksvoorschriften van de vigerende bestemmingsplannen. Tot 1 mei 2006 gold voor het houden van die evenementen een vrijstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Gelet hierop, was het college vanaf 1 mei 2006 bevoegd terzake handhavend op te treden.
2.3.    De vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Koninklijk Verbond belanghebbende is bij de besluiten 14 september 2006 in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht leent zich minder goed voor beantwoording in deze procedure. Naar het oordeel van de Voorzitter is op voorhand evenwel niet buiten twijfel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
2.4.    De rechtbank heeft met juistheid onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2004 in zaak no.
200305483/1geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden mocht afzien betekenis toekomt aan de omstandigheid dat artikel 17, zesde lid, van de WRO dwingend is geformuleerd. Dit brengt naar het oordeel van de Voorzitter echter niet met zich dat het college zonder meer gehouden is handhavend op te treden tegen het houden van evenementen als beurzen en (rommel)markten in de sportcentra. Uit de jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2003 in zaak no.
200303315/1, blijkt dat na het verlopen van de termijn waarvoor een krachtens artikel 17, eerste lid, van de WRO verleende vrijstelling geldt, voor de vraag of van handhavend optreden kan worden afgezien, evenzeer van betekenis is of concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Gelet op de stappen die door het college en de sportcentra zijn gezet om ten behoeve van het houden van evenementen in de sportcentra vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO, acht de Voorzitter concreet uitzicht op legalisatie aanwezig. Onder die omstandigheden, en na afweging van de betrokken belangen, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak in de zaken nos. 06/5708, 06/5709 en 06/5710 van de rechtbank Breda van 18 juni 2007;
II.    bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan het college van burgemeester en wethouders van Breda het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) terugbetaalt.
III.    bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Optisport Breda B.V." het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens     w.g. Van Roessel
Voorzitter     ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2007
457.