Uitspraak
200301272/1waaruit volgens de rechtbank volgt dat de waardering van de buitenlandse opleiding zich niet mag beperken tot een beschrijving en typering van dat buitenlands hoger onderwijs in het algemeen, doch dat deze moet worden gebaseerd op een waardering van alle door [wederpartij] voltooide opleidingen in het bijzonder. De rechtbank is gelet op het vorenstaande tot de conclusie gekomen dat het besluit van 18 januari 2006 ondeugdelijk is gemotiveerd en mitsdien in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
200301272/1valt - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet af te leiden dat in het kader van de op grond van artikel 7.23, derde lid, van de WHW te maken vergelijking alle door de buitenlandse aanvrager gevolgde opleidingen, derhalve ook de door [wederpartij] gevolgde specialisatie tot gynaecoloog, moeten worden gewaardeerd. In die uitspraak heeft de Afdeling het onjuist geoordeeld dat de IB-groep de in artikel 7.23, derde lid, van de WHW bedoelde vergelijking vooral had gebaseerd op het niveau van Russische vooropleidingen en het door de aanvrager gevolgde postdoctorale onderwijs en dat de IB-groep - voor zover de opleiding op grond waarvan de aanvrager in het buitenland een bepaalde titel was verleend al in een vergelijking was betrokken - had volstaan met een beschrijving en typering van het buitenlandse onderwijs in het algemeen in plaats van een waardering van de door appellant voltooide opleiding in het bijzonder. In die uitspraak heeft de Afdeling evenwel geen oordeel gegeven over de vraag of gevolgd postdoctoraal onderwijs kon worden meegewogen.