ECLI:NL:RVS:2007:BB1379
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel niet aan termijn is gebonden
Appellant werd op 1 april 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld, welke bewaring op 4 april 2007 werd opgeheven. Op 16 mei 2007 stelde appellant beroep in tegen het besluit van 1 april 2007, inclusief een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep op 5 juni 2007 niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig instellen van het beroep binnen de termijn van vier weken na opheffing van de bewaring.
Appellant stelde hoger beroep bij de Raad van State en betoogde dat artikel 69 lid 3 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 duidelijk bepaalt dat het instellen van beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel niet aan enige termijn is gebonden. De rechtbank had dit niet onderkend en onterecht een afwijkende uitleg gehanteerd.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard en vernietigde de uitspraak. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de rechtbank ook moet beslissen over de vergoeding van de proceskosten die de Raad van State vaststelde op €322,00.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug vanwege onterecht niet-ontvankelijk verklaren van het beroep.