ECLI:NL:RVS:2007:BB1418
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing hoger beroep inzake ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning
Appellant was ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd was ingetrokken door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. De rechtbank had het beroep van appellant deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank niet had voldaan aan de vereisten van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht door niet in te gaan op een beroepsgrond over schending van artikel 8 EVRM Pro, inzake het recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven. Daarom werd het vonnis vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor herbehandeling.
Daarnaast werd vastgesteld dat appellant geen belang had bij het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, omdat de ongewenstverklaring voortduurde en daardoor rechtmatig verblijf uitgesloten was. Dit deel van het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling stelde de proceskosten in hoger beroep vast en bepaalde dat de rechtbank hierover beslist. Tevens werd bepaald dat de Staat der Nederlanden het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen, terwijl het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wordt verklaard.