ECLI:NL:RVS:2007:BB2111
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsvergunning asiel na erkenning vluchteling door UNHCR onder OAU Conventie
Appellante had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat Nederland op grond van artikel 35 van Pro het Vluchtelingenverdrag samenwerkt met de UNHCR, maar een eigen bevoegdheid behoudt bij statusbepaling en vergunningverlening. De erkenning van appellante als vluchteling door de UNHCR was categoriaal vanwege de onveiligheid in het oostelijk deel van Congo.
De Raad verwierp het verweer dat de erkenning onder de OAU Conventie slechts onder bijzondere omstandigheden terzijde dient te worden geschoven. Wel stelde de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte niet had geoordeeld over de medische en psychische klachten van appellante die aanleiding zouden kunnen geven tot een verblijfsvergunning op humanitaire gronden.
Na beoordeling van deze klachten concludeerde de Raad dat de minister zich terecht op het standpunt kon stellen dat het relaas niet geloofwaardig was en dat de klachten onvoldoende waren onderbouwd. Het beroep tegen het besluit van de minister werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard, maar het beroep tegen het ministeriële besluit werd alsnog afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de minister tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.