Uitspraak
200409413/1(AB 2006, 122), geen besluit waartegen bezwaar openstaat. Dit betekent dat de waarschuwing van 7 februari 2006, die is meegewogen bij de intrekking van de erkenning, bij de beoordeling van het intrekkingsbesluit ter discussie kan worden gesteld. In beroep heeft [wederpartij] gemotiveerd betoogd dat de waarschuwing ten onrechte is opgelegd. Nu op grond van het beleid in beginsel pas tot een tijdelijke intrekking kan worden overgegaan indien een (terechte) waarschuwing is gegeven, had de rechtbank eerst dit betoog dienen te beoordelen, alvorens in te gaan op de evenredigheid van de opgelegde sanctie. De Directeur heeft zich in het primaire besluit noch in de beslissing op bezwaar uitgelaten over de juistheid van de waarschuwing en de feiten waarop deze berust. Reeds omdat de waarschuwing een voorwaarde is voor het opleggen van een tijdelijke intrekking en deze intrekking, alsmede de evenredigheid daarvan, in bezwaar door [wederpartij] is betwist, mocht de Directeur niet zonder nadere motivering van de juistheid van de waarschuwing uitgaan. Dit maakte onderdeel uit van de integrale heroverweging. De Afdeling is dan ook, zij het op andere gronden dan de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.