Uitspraak
200603730/1, volgt uit het enkele feit dat beweerdelijk niet is voldaan aan de indieningsvereisten, zoals gesteld bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning, niet dat de bouwvergunning om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Het is aan het college om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit over de aanvraag te kunnen nemen. Voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit te kunnen nemen, bestaat, mede gezien de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekeningen en situatietekening, geen grond. Op de situatietekening is bovendien de inrichting van het gebied rond het bouwplan globaal weergegeven en zijn daarop de parkeerplaatsen en de beplanting vermeld. De Afdeling neemt bij haar oordeel in aanmerking dat in de bouwvergunning is vermeld dat met de desbetreffende bouwwerkzaamheden geen aanvang mag worden gemaakt voordat uiterlijk drie weken voor de aanvang hiervan de in de bouwvergunning vermelde gegevens zijn overgelegd en goedgekeurd. Het college is hiertoe blijkens artikel 4, derde lid, van voornoemd besluit bevoegd.
200603372/1dient een college te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan een project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat alternatieven bestaan waarmee een dergelijk resultaat kan worden bereikt. Daarbij overweegt de Afdeling dat het college, ofschoon in het recentelijk tot stand gekomen bestemmingsplan een uitbreiding van het gemeentehuis aan de westzijde is voorzien, in voornoemde notitie alsmede ter zitting afdoende heeft uiteengezet waarom niettemin voor een uitbreiding aan de zuidzijde is gekozen. Daarbij heeft het college onder meer te kennen gegeven dat uit een oogpunt van duurzaamheid beoogd is een zo compact mogelijke bouwmassa te realiseren waarbij een, na de gemeentelijke herindeling met Ravenstein noodzakelijke, uitbreiding van werkruimte volgens modern kantoorconcept kan worden verwezenlijkt en een optimale logistiek met korte looplijnen ontstaat. Voorts kan met dit bouwplan het werkklimaat in het zogenaamde zuidblok worden verbeterd, dat thans klimatologisch niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van arbeidsomstandighedenregelgeving worden gesteld.
200305190/1(BR 2004, 756), komen de vragen of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffingen nodig zijn op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen vrijstelling voor het plan had kunnen verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat.