Uitspraak
200102917/1, www.raadvanstate.nl en AB 2003, 41) onvoldoende aanleiding om het hoger beroep te beoordelen.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland verleende op 1 oktober 2004 een bouwvergunning aan een bouwbedrijf voor de bouw van een woning op een perceel in Smallingerland. Appellanten dienden een bezwaar in, dat door het college niet in behandeling werd genomen omdat het niet als bezwaarschrift werd aangemerkt. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het daarop ingestelde beroep van appellanten niet-ontvankelijk.
Appellanten stelden vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure gaven zij aan dat zij inmiddels in een aanhangig geschil bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw volledig in het gelijk waren gesteld, waardoor zij geen belang meer hadden bij de beoordeling van het hoger beroep. De Raad van State overwoog dat het hoger beroep niet geschikt is om klachten over de gedragingen van het college te beoordelen en dat ook de proceskostenveroordeling geen aanleiding gaf om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee kwam een einde aan de bestuursrechtelijke procedure omtrent de bouwvergunning.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.