ECLI:NL:RVS:2007:BB5820
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- C.J.M. Schuyt
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtsgevolgen besluit last onder dwangsom opslagactiviteiten in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Grave stelde appellant bij brief van 19 mei 2005 in kennis dat hij binnen acht maanden de bedrijfsmatige opslagactiviteiten op een perceel met agrarische bestemming moest staken, met een aangekondigde last onder dwangsom bij niet-naleving. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand.
Appellant stelde dat hij op grond van overgangsrecht de opslagactiviteiten mocht voortzetten, omdat deze al vóór het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan plaatsvonden. De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de opslagactiviteiten op het betreffende perceel plaatsvonden op de peildatum. De Raad van State bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep op overgangsrecht.
Daarnaast oordeelde de Raad van State dat de brief van het college van 19 mei 2005 onvoldoende duidelijkheid bood over de oplegging en verbeuring van de dwangsom, waardoor het besluit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtsgevolgen van het besluit mochten daarom niet in stand blijven. De Raad van State vernietigde dit deel van de uitspraak en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit tot last onder dwangsom worden vernietigd vanwege onduidelijkheid over de dwangsom en onvoldoende aannemelijkheid van het overgangsrecht.