ECLI:NL:RVS:2007:BB7202
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring vreemdeling verhindert belang bij beoordeling verblijfsvergunning
Appellant had beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tegelijkertijd was hij krachtens artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst verklaard, waardoor hij geen rechtmatig verblijf kon verkrijgen.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, maar de Raad van State oordeelt dat appellant geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep zolang de ongewenstverklaring voortduurt. Dit omdat de ongewenstverklaring het verkrijgen van rechtmatig verblijf uitsluit.
De Raad van State vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Appellant kan de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag alleen aan de orde stellen in een procedure tegen de ongewenstverklaring zelf.
Indien de ongewenstverklaring komt te vervallen, kan appellant een nieuwe aanvraag indienen of heroverweging vragen, waarbij het rechtsbeginsel van ne bis in idem niet aan toetsing in de weg staat.
De Raad van State ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en spreekt de uitspraak uit in het openbaar op 22 oktober 2007.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang zolang de ongewenstverklaring voortduurt.