ECLI:NL:RVS:2007:BB7988

Raad van State

Datum uitspraak
2 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200702899/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • T.M.A. Claessens
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening (EG) 343/2003VluchtelingenverdragEVRMArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen schending verdragsverplichtingen door Griekenland bij asielprocedure

De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die het besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning asiel vernietigde. De vreemdeling stelde dat Griekenland zijn verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet naleeft, mede op basis van vragen die de Europese Commissie aan Griekenland stelde over diens asielprocedure.

De Raad van State overwoog dat het enkele stellen van vragen door de Europese Commissie geen concreet gegeven vormt om te concluderen dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen schendt. Ook de door de vreemdeling aangevoerde rapporten, waaronder het UNHCR-rapport en andere publicaties, bevatten geen concrete aanwijzingen dat Griekenland zijn verplichtingen jegens de vreemdeling niet zal nakomen.

Daarom is het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.

Uitspraak

200702899/1.
Datum uitspraak: 2 november 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/367 en 07/370 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 28 maart 2007 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 28 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De in grief 1 opgeworpen rechtsvragen heeft de Afdeling in de uitspraak van 13 september 2007 in zaak nr. 200703323/1 (www.raadvanstate.nl) beantwoord. De overwegingen van die uitspraak zijn ook in dit geval van toepassing, zodat de grief slaagt.
2.2. Grief 2 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 december 2006 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op het hiervoor vorenoverwogene nog bespreking behoeven.
2.4. De vreemdeling heeft betoogd dat nu de Europese Commissie (hierna: de commissie) aanleiding heeft gezien bij de Griekse autoriteiten om uitleg te vragen over, zo begrijpt de Afdeling, de Griekse asielprocedure, in afwachting van het antwoord van die autoriteiten en de conclusies van de commissie, niet tot zijn verwijdering uit Nederland kan worden overgegaan.
2.5. Het enkele stellen van vragen door de commissie aan de Griekse autoriteiten kan niet worden aangemerkt als een zodanig concreet gegeven dat op grond daarvan moet worden geconcludeerd dat Griekenland de op hem uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) rustende verplichtingen niet eerbiedigt. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat aan de asielprocedure in Griekenland zodanige gebreken kleven dat moet worden geconcludeerd dat bij overdracht een risico bestaat dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal nakomen.
2.6. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat Griekenland niet of nauwelijks handelt naar het Vluchtelingenverdrag en dat de minister bij afweging van de betrokken belangen gebruik had dienen te maken van zijn in artikel 3, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend neergelegde bevoegdheid de asielaanvraag aan zich te trekken. In dit kader heeft hij gewezen op een aantal stukken, te weten:
- het rapport "UNHCR Position on Important Aspects of Refugee protection in Greece" van de United Nations High Commissioner for Refugees van november 2004 (hierna: het UNHCR-rapport);
- een overzicht uit 2006 van het Information & Documentation Centre on Racism, Ecology, Peace and Non Violence "Antigone";
- de analyse "Refugees without home, without hope" van Joanna Sotirhou, en
- het artikel "The new Dubliners: Implementation of European Council Regulation 343/2003 (Dublin-II) by the Greek authorities van P.N. Papadimitiou en J.F. Papageorgiou, gepubliceerd in de Journal of Refugee Studies Vol. 8, no.3.
2.7. Voor zover de vreemdeling zijn betoog heeft toegelicht met het UNHCR-rapport wordt verwezen naar hetgeen ter zake is overwogen in de onder 2.1. vermelde uitspraak. Nu de overige in 2.6 vermelde stukken evenmin concrete gegevens bevatten dat Griekenland zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens de vreemdeling niet zal nakomen, moet worden geconcludeerd dat het inleidende beroep ongegrond is.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 28 maart 2007 in zaak nr. 07/367;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
Voorzitter
w.g. Vonk
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2007
345.
Verzonden: 2 november 2007
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak