ECLI:NL:RVS:2007:BB3817
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens Dublin-overdracht naar Griekenland
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning asiel gegrond had verklaard. De afwijzing was gebaseerd op de Dublin-verordening, waarbij Griekenland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de asielaanvraag.
De voorzieningenrechter had het beroep gegrond verklaard omdat het UNHCR-rapport uit 2004 volgens hem concrete aanwijzingen bevatte dat Griekenland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De staatssecretaris stelde dat deze gegevens onvoldoende concreet waren en dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat Griekenland jegens hem de verdragsverplichtingen zou schenden.
De Raad van State oordeelt dat de statistische gegevens in het UNHCR-rapport geen concrete aanwijzingen bevatten die het vertrouwen in Griekenland als verantwoordelijke lidstaat ondermijnen. Ook de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden rondom zijn detentie en aanzegging om Griekenland te verlaten, zijn niet doorslaggevend omdat deze zich voor de aanvaarding van de claim door Griekenland hebben voorgedaan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd.
De Raad van State bevestigt dat de implementatietermijn van Richtlijn 2005/85/EG nog niet was verstreken en dat het betoog dat de Griekse asielprocedure niet aan deze richtlijn voldoet, niet tot een ander oordeel leidt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd.