Uitspraak
200608358/1overweegt de Afdeling dat mogelijke aanspraken die naar burgerlijk recht uit voormelde akte voortvloeien, de bevoegdheid de bouwvergunning op grond van de Woningwet in te trekken onverlet laten. Aan voormelde akte kan evenmin het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat het college nimmer van de intrekkingsbevoegdheid gebruik zal maken.
200403443/1(BR 2005, p. 719) kan hem niet baten, nu in die uitspraak, anders dan in deze zaak, niet in geschil was dat met de bouw een aanvang was gemaakt.
200403443/1(BR 2005, p. 719) niet dat gedeeltelijke intrekking van een bouwvergunning alleen mogelijk is indien het bouwplan voorziet in meerdere gebouwen, die zowel fysiek als functioneel van elkaar gescheiden zijn. Gedeeltelijke intrekking van een bouwvergunning is eveneens mogelijk, indien het gebouwde waarvoor de bouwvergunning niet wordt ingetrokken, als een zelfstandige eenheid kan worden gezien en ook als zodanig kan functioneren. Op grond van de bouwtekeningen kan de opslagruimte functioneel als een zelfstandige eenheid worden gezien en, naar [appellant sub 1] heeft erkend, is de opslagruimte ook als zodanig in gebruik genomen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de bouwvergunning, voor zover het de kantoren betreft, kon worden ingetrokken.
200302060/1is onjuist de opvatting dat er alleen een redelijk belang met de intrekking is gemoeid indien het planologisch regime waaraan de verleende bouwvergunning eertijds is getoetst, is gewijzigd. Ook de enkele omstandigheid dat de houder van de bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij alsnog binnen korte termijn daarvan gebruik zal maken, vormt reeds een redelijk belang dat ten grondslag kan worden gelegd aan intrekking van een ongebruikte bouwvergunning. Nu [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat binnen korte termijn met de bouw van de kantoren een aanvang wordt gemaakt, heeft het college deze omstandigheid aan zijn besluit tot gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning ten grondslag kunnen leggen.