ECLI:NL:RVS:2007:BB8862

Raad van State

Datum uitspraak
15 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200705643/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • H. Troostwijk
  • T.M.A. Claessens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 44 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling belang bij beoordeling beroep verblijfsvergunning regulier voor naturalisatie

Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant volgens haar geen belang zou hebben, aangezien hij op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) al rechtmatig verblijf zou genieten.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat de rechtbank dit belang heeft miskend. Appellant kan namelijk belang hebben bij een eerdere ingangsdatum van het rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning regulier, wat relevant is voor de duur van het rechtmatig verblijf die een voorwaarde is voor naturalisatie.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze overwegingen. Tevens stelt de Afdeling de proceskosten vast en gelast de vergoeding van het betaalde griffierecht door de Staat.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

200705643/1.
Datum uitspraak: 15 november 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[Appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/20742 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 5 juli 2007 in het geding tussen:
appellant
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2003 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 7 april 2006 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 5 juli 2007, verzonden op 11 juli 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Appellant klaagt in zijn derde grief dat de rechtbank, door te overwegen dat appellant – vanwege zijn Slowaakse nationaliteit – reeds op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) rechtmatig verblijf geniet en om die reden geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep, heeft miskend dat zijn belang er in is gelegen dat de ingangsdatum van zijn verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning regulier vóór het moment waarop het verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is ontstaan zou kunnen liggen, en dat hij hierdoor eerder aan één van de voorwaarden voor naturalisatie zou kunnen voldoen.
2.2. De grief slaagt. De rechtbank had kunnen en moeten onderkennen dat appellant een belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, reeds omdat één van de voorwaarden voor het verkrijgen voor naturalisatie de duur van het rechtmatig verblijf in Nederland is, en dat niet is uitgesloten dat het rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning regulier in dit geval eerder zou kunnen aanvangen dan het rechtmatig verblijf op grond van
artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 5 juli 2007 in zaak nr. 06/20742;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;
V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
Voorzitter
w.g. Van Helvoort
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2007
361.
Verzonden: 15 november 2007
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak