Uitspraak
200608465/1is de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid van discretionaire aard. Aan het bevoegd gezag komt daarbij een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of sprake is geweest van strijd met wettelijke voorschriften dan wel van zodanige onevenwichtigheid bij de afweging van de betrokken belangen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan. Anders dan appellante heeft betoogd, behoeft, gezien het vorenoverwogene, voor het besluit tot onttrekking van een weg aan het openbaar verkeer niet zozeer sprake te zijn van dringende redenen.