Uitspraak
200507695/1en de uitspraak van 22 augustus 2007, zaakno.
200701646/1moet worden betwijfeld of het door de korpschef bestreden oordeel van de rechtbank in de bodemprocedure in stand zal blijven. In genoemde uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat uit het imperatieve karakter van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr volgt dat toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Naar voorlopig oordeel zijn de overwegingen van de rechtbank niet in overeenstemming met dit uitgangspunt, althans staan de overwegingen met betrekking tot de hardheidsclausule op gespannen voet met het onbestreden oordeel van de rechtbank over de betrouwbaarheid van [wederpartij]. Gelet hierop en na afweging van de betrokken belangen, ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek toe te wijzen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [wederpartij], als hij van oordeel is dat het tijdsverloop sinds het incident van 27 april 2005 inmiddels zodanig is dat dit hem niet meer kan worden tegengeworpen, een nieuw verzoek om toestemming bij de korpschef kan indienen. In zoverre is hij niet afhankelijk van een heroverweging in het kader van een nieuw besluit op bezwaar.