Uitspraak
200300569/1), dat de omstandigheid dat een andere korpschef wel toestemming heeft verleend voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden, niet afdoet aan de eigen bevoegdheid van de korpschef in deze. Bij de beoordeling van de vraag of appellant beschikt over de vereiste betrouwbaarheid, is de korpschef bevoegd zich op grond van de hem over appellant ter beschikking staande informatie een zelfstandig oordeel te vormen. Door appellant is niet gesteld dat de korpschef in gelijke of vergelijkbare gevallen tot andersluidende besluiten is gekomen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
200507695/1), volgt uit het imperatieve karakter van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, anders dan appellant kennelijk meent, dat toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Bij de beslissing omtrent toepassing van de hardheidsclausule dient derhalve uitsluitend te worden beoordeeld of degene op wie het verzoek om toestemming betrekking heeft, hoewel hij niet aan de in de circulaire opgenomen eisen voldoet, toch over voldoende betrouwbaarheid beschikt. Onder 2.7 is overwogen dat die situatie zich hier niet voordoet.