ECLI:NL:RVS:2007:BB9951
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- K. Brink
- J.M. Boll
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking vergunning varkenshouderij wegens ontoereikende motivering geurhinder
Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland de vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij, verleend in 1991, ingetrokken. Appellanten stelden dat het college niet bevoegd was tot het nemen van dit besluit, omdat volgens hen de drempelwaarden van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) niet werden overschreden.
De Raad van State oordeelde dat het college wel bevoegd was omdat de inrichting opslagcapaciteit had van meer dan 1000 m3 aardappelstoomschillen, welke als afvalstoffen van buiten de inrichting worden beschouwd. Vervolgens werd beoordeeld of het college terecht de vergunning had ingetrokken wegens ontoelaatbare geurhinder nabij aaneengesloten woonbebouwing.
Appellanten voerden aan dat met een luchtwasser de geurbelasting tot een aanvaardbaar niveau kon worden teruggebracht. Het college stelde dat de voorgestelde maatregelen onvoldoende waren, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vond dat het college deze stelling onvoldoende had gemotiveerd. De overschrijding van het stankhinderniveau betekent niet automatisch ontoelaatbare milieuschade.
Daarom werd het besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het besluit tot intrekking van de vergunning werd teruggedraaid. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de vergunning is vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent geurhinder.