ECLI:NL:RVS:2007:BB9951

Raad van State

Datum uitspraak
12 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200702693/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • K. Brink
  • J.M. Boll
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.23 WmArt. 8.25 WmArt. 3:46 AwbCategorie 28 Ivb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking vergunning varkenshouderij wegens ontoereikende motivering geurhinder

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland de vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij, verleend in 1991, ingetrokken. Appellanten stelden dat het college niet bevoegd was tot het nemen van dit besluit, omdat volgens hen de drempelwaarden van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) niet werden overschreden.

De Raad van State oordeelde dat het college wel bevoegd was omdat de inrichting opslagcapaciteit had van meer dan 1000 m3 aardappelstoomschillen, welke als afvalstoffen van buiten de inrichting worden beschouwd. Vervolgens werd beoordeeld of het college terecht de vergunning had ingetrokken wegens ontoelaatbare geurhinder nabij aaneengesloten woonbebouwing.

Appellanten voerden aan dat met een luchtwasser de geurbelasting tot een aanvaardbaar niveau kon worden teruggebracht. Het college stelde dat de voorgestelde maatregelen onvoldoende waren, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vond dat het college deze stelling onvoldoende had gemotiveerd. De overschrijding van het stankhinderniveau betekent niet automatisch ontoelaatbare milieuschade.

Daarom werd het besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het besluit tot intrekking van de vergunning werd teruggedraaid. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de vergunning is vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent geurhinder.

Uitspraak

200702693/1.
Datum uitspraak: 12 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], respectievelijk gevestigd en wonend te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2007 heeft verweerder de op 26 februari 1991 aan appellanten ingevolge de Hinderwet verleende vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij, gelegen op de percelen [locaties] te [plaats], alsmede alle bijbehorende veranderingsvergunningen ingetrokken.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 11 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2007, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ir. A.C. de Waaij, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de vereniging "Huurdersvereniging Middelharnis", vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten betogen dat verweerder niet bevoegd was tot het nemen van het bestreden besluit. Volgens hen worden de drempelwaarden als opgenomen in categorie 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) niet overschreden, zodat het college van burgemeester en wethouders van Middelharnis ter zake van de inrichting het bevoegd gezag is.
2.1.1. Categorie 28 van het Ivb heeft, voor zover thans van belang, betrekking op inrichtingen voor het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m3 of meer. In categorie 28.4 van het Ivb is, voor zover thans van belang, bepaald dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen, behorende tot categorie 28, voor zover het betreft inrichtingen voor:
a. het opslaan van de volgende afvalstoffen:
(…)
6. andere dan de onder 1 tot en met 5 genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1000 m3 of meer.
2.1.2. Uit de stukken blijkt dat ingevolge de eerder verleende vergunning binnen de inrichting twee silo's aanwezig mogen zijn, waar meer dan 1000 m3 aardappelstoomschillen mogen worden opgeslagen. Onbetwist is dat deze aardappelstoomschillen zijn aan te merken als van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen. Verweerder heeft zich, gelet op categorie 28.4, aanhef en onder a, onderdeel 6, dan ook terecht met betrekking tot de inrichting bevoegd geacht.
2.2. Ingevolge artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt.
Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.
2.3. Verweerder heeft de vergunningen ingetrokken omdat volgens hem nabij de inrichting, ter plaatse van aaneengesloten woonbebouwing, sprake is van ontoelaatbare geurhinder.
2.3.1. Appellanten betogen onder meer dat verweerder heeft miskend dat met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer de geurbelasting kan worden teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau. Zij wijzen er op dat een luchtwasser wordt aangebracht, waarmee de geurbelasting vanwege de inrichting voldoende kan worden gereduceerd.
2.3.2. Verweerder stelt dat de met door appellanten voorgestelde maatregelen de geurbelasting niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder dit onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft die stelling slechts gebaseerd op onderzoek dat is gericht op een beperking van de geurbelasting tot een stankhinderniveau op basis waarvan in de toekomst een nieuwe vergunning zou kunnen worden verleend. Anders dan verweerder veronderstelt betekent een overschrijding van dat niveau echter niet noodzakelijkerwijs dat zich ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu in de zin van artikel 8.25, eerste lid, van de Wet milieubeheer voordoen.
Deze beroepsgrond slaagt.
2.4. Het besluit is in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en moet reeds hierom worden vernietigd.
De overige beroepsgronden behoeven in verband daarmee geen bespreking.
2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 1 maart 2007, kenmerk DGWM/2007/2837;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 731,07 (zegge: zevenhonderdeenendertig euro en zeven cent); het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. J.M. Boll en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Blok, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Blok
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007
428.