ECLI:NL:RVS:2007:BC0695
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingsonderzoek
Op 2 oktober 2007 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde op 22 oktober 2007 het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was geworden omdat niet binnen een week na de inbewaringstelling onderzoek was gestart naar uitzettingsmogelijkheden.
De staatssecretaris voerde in hoger beroep aan dat de vreemdeling op 2 oktober 2007 had aangegeven een asielaanvraag te willen indienen, waardoor hij gehouden was af te zien van uitzettingshandelingen die contact met het land van herkomst zouden brengen. Tevens wees hij op de AC-procedure die binnen drie weken na inbewaringstelling zou worden gestart.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had overwogen dat de staatssecretaris eerder onderzoek had kunnen starten naar uitzetting zonder contact met autoriteiten van het land van herkomst. Dit verweer werd niet betwist in hoger beroep, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €644,00. De uitspraak werd gedaan op 5 december 2007.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.