ECLI:NL:RVS:2008:BC3834

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200705336/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 120 Vreemdelingenwet 2000Art. 84 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens gebrekkige bekendmaking

De vreemdeling betwistte de correcte verzending en ontvangst van het besluit tot intrekking van haar verblijfsvergunning van 21 november 1994. De staatssecretaris kon niet aantonen dat het besluit persoonlijk was uitgereikt of aangetekend was verzonden naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. De enkele aantekening op het voorblad volstond niet als bewijs.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Raad van State oordeelde dat het besluit niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt, waardoor hoger beroep tegen de uitspraak openstond. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van 12 december 2006.

Daarnaast veroordeelde de Raad van State de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de vergunning vernietigd.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd vanwege onvoldoende bewijs van correcte bekendmaking.

Uitspraak

200705336/1.
Datum uitspraak: 28 januari 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1699 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 26 juni 2007 in het geding tussen:
[appellante]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 november 1994 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de aan [appellante] (hierna: de vreemdeling) verleende vergunning tot vestiging ingetrokken.
Bij besluit van 12 december 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het hiertegen door de vreemdeling bij brief van 13 juli 2006 gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 juni 2007, verzonden op 29 juni 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 120 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, kan hoger beroep, als bedoeld in artikel 84 van Pro die wet, slechts worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van een beslissing op bezwaar gericht tegen een besluit bekendgemaakt voor inwerkingtreding van de wet.
2.2. De grieven klagen – samengevat weergegeven – dat de vreemdeling de verzending en ontvangst van het besluit op of omstreeks 21 december 1994 betwist en dat dit besluit eerst op 16 juni 2006, met de verzending daarvan aan de gemachtigde van de vreemdeling, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Gelet hierop is de Afdeling volgens de vreemdeling bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
2.2.1. De staatssecretaris heeft het origineel van het besluit van 21 november 1994 bij brief van dezelfde datum naar het Bureau Vreemdelingenpolitie van het Regiopolitiekorps Haaglanden verzonden, met het verzoek dit aan de vreemdeling in persoon uit te reiken of, indien uitreiking in persoon niet mogelijk is gebleken, dit aangetekend naar haar laatst bekende adres te zenden. Op het bij dit besluit behorende voorblad is vermeld dat het besluit op 21 december 1994 door "Mo te Den Haag" aangetekend is verzonden naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. De minister heeft het bij brief van 13 juli 2006 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat dit niet binnen vier weken na de bekendmaking van het besluit van 21 november 1994 is ingediend.
2.2.2. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat het besluit van 21 november 1994 aan de vreemdeling in persoon is uitgereikt. In het dossier bevindt zich voorts geen bewijs van de gestelde aangetekende verzending van dit besluit. De enkele aantekening met die strekking op het voorblad kan niet als zodanig worden aangemerkt.
Gelet hierop is de aangetekende verzending van het besluit niet genoegzaam komen vast te staan. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 21 november 1994 niet op de voorgeschreven wijze aan de vreemdeling is bekendgemaakt.
2.3. Uit de voorgaande overweging vloeit voort dat het besluit van 21 november 1994 na het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000 is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 120 van Pro de Vw 2000 staat derhalve, anders dan onder de aangevallen uitspraak is opgenomen, hoger beroep open tegen die uitspraak. Hieruit volgt dat de Afdeling bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen.
2.4. Gelet op het vooroverwogene is het hoger beroep kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 december 2006 van de minister alsnog gegrond verklaren. Het bestreden besluit op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.
2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 26 juni 2007 in zaak nr. 07/1699;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 12 december 2006, kenmerk 9411-03-0370;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens
Voorzitter
w.g. Van der Winden
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2008
348-553.
Verzonden: 28 januari 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak