ECLI:NL:RVS:2008:BC5780
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- M.F.N. Pikart-van den Berg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtsgevolgen terugvordering huursubsidie wegens verblijf medebewoner
De minister heeft bij besluiten van 24 april 2006 de huursubsidie van appellante voor meerdere subsidietijdvakken gewijzigd naar nul en de reeds uitbetaalde bedragen teruggevorderd, omdat een medebewoner geen rechtmatig verblijf had. De rechtbank Rotterdam vernietigde het besluit van de minister wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellante stelde dat zij niet op de hoogte was van de verblijfsstatus van haar medebewoner en dat de terugwerkende kracht en terugvordering onterecht waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de verblijfsstatus van de medebewoner bekend mocht worden geacht, mede omdat het besluit tot ongewenstverklaring aan hem was uitgereikt en hij echtgenoot van appellante was. Het verband tussen verblijfsstatus en recht op huursubsidie was voldoende duidelijk en appellante had redelijkerwijs moeten begrijpen dat zij geen recht had op huursubsidie. De terugwerkende kracht was daarom terecht verleend op grond van artikel 36, tweede lid, aanhef en onder c, van de Huursubsidiewet.
Verder oordeelde de Afdeling dat de belangenafweging door de minister bij de terugvordering voldoende was gemotiveerd en dat appellante geen bijzondere omstandigheden had gesteld die een afwijking van het terugvorderingsbeleid rechtvaardigden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, voor zover deze de rechtsgevolgen in stand liet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit tot terugvordering van huursubsidie blijven in stand.