Uitspraak
200607905/1) is het besluit van 12 september 2006 geheel vernietigd.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Ede wees een verzoek van appellant om bestuurlijke handhaving deels toe en deels af met betrekking tot een veehouderij. Het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit werd door het college niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij meende dat na vernietiging van een latere vergunning het college niet meer kon handhaven op basis van die vergunning en appellant daardoor geen belang meer had.
Appellant stelde dat het college het bezwaar ex nunc moest beoordelen op basis van de onderliggende, nog geldende vergunning uit januari 2006. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vernietiging van de latere vergunning inderdaad betekent dat de eerdere vergunning weer geldt, en dat het college daarom het verzoek om handhaving en het bezwaar had moeten beoordelen op basis van die eerdere vergunning en de daaraan verbonden voorschriften.
De Afdeling stelde vast dat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde en vernietigde het besluit. Het college werd opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen en het bezwaar inhoudelijk te behandelen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het besluit van het college is vernietigd; het college moet een nieuw besluit nemen en proceskosten vergoeden.