Uitspraak
200607905/1. Als gevolg hiervan is een voor de inrichting op 10 januari 2006 verleende revisievergunning herleefd. Bij vernietiging van een besluit door de rechter vervallen de rechtsgevolgen van dat besluit in beginsel met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop het is genomen. Voor het antwoord op de vraag of het college het verzoek om handhaving op 9 februari 2007 terecht gedeeltelijk heeft afgewezen, blijft de vergunning van 12 september 2006 echter bepalend. Immers, de vernietiging van het besluit van 12 september 2006 staat er niet aan in de weg dat het college op 9 februari 2007 rechtmatig kon besluiten tot toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen wegens de in het verzoek om handhaving gestelde overtredingen van die vergunning. Want, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 juni 2002 in zaak nr.
200103451/2, een besluit tot toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen wegens overtreding van een vergunning kan niet worden aangemerkt als een rechtsgevolg van het onderliggende besluit tot vergunningverlening, zodat het niet voor vernietiging in aanmerking komt op de enkele grond dat het onderliggende besluit tot vergunningverlening inmiddels is vernietigd.
200404561/1, dat overschrijding van de wettelijke beslistermijn niet betekent dat een besluit reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is in zoverre ongegrond.
200705644/1. Hoewel het 27 weken heeft geduurd voordat het college opnieuw op het bezwaar heeft beslist, heeft dit niet geleid tot een totale duur van de bezwaarschriftprocedure van meer dan één jaar. De totale duur van de beroepsprocedure bij de Afdeling bedraagt verder ten tijde van de huidige uitspraak niet meer dan twee jaar. De in rechtsoverweging 2.7.2 genoemde behandelingsduren zijn in deze zaak derhalve niet overschreden, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM evenmin is overschreden.