Uitspraak
200606955/1), is voor de hoogte van de op te leggen boete de gekozen rechtsvorm van de onderneming bepalend. Een maatschap wordt ingevolge artikel 18a, derde lid, onder 2˚, gelezen in samenhang met artikel 19d, eerste lid, van de Wav, wat de hoogte van een op te leggen boete betreft met een rechtspersoon gelijkgesteld. Nu de hoogte van de boete, voor zover verband houdend met de door de maten zelf gekozen rechtsvorm, haar grond vindt in de gelijkstelling in de Wav van [appellante] met een rechtspersoon en de staatssecretaris in zoverre geen beslissingsruimte heeft, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte en in strijd met het gelijkheidsbeginsel tot onverkorte oplegging van het voor rechtspersonen geldende boetenormbedrag is overgegaan.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.
200607461/1), bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200704914/1) vormt de omstandigheid dat bij diverse betrokken instanties is geïnformeerd of de desbetreffende vreemdeling werkzaamheden mocht verrichten als zzp-er, geen bijzondere omstandigheid als hier bedoeld, indien de vraag algemeen is geformuleerd. Niet gesteld is dat [maat 1] of de zwager van [vreemdeling 2] in het contact met de vermelde instanties nadere informatie heeft verstrekt over de te verrichten werkzaamheden en de feitelijke omstandigheden waaronder deze zouden worden verricht. [appellante] heeft dan ook niet zonder meer kunnen aannemen dat de verstrekte informatie in dit geval van toepassing was. Nu uit de omstandigheden waaronder [vreemdeling 2] heeft gewerkt, welke omstandigheden niet verschilden van die waaronder de werknemers van [appellante] werkten, naar voren komt dat [vreemdeling 2] feitelijk arbeid verrichtte als werknemer, had het [appellante] duidelijk moeten zijn dat [vreemdeling 2] niet als zzp-er heeft gewerkt en zij dientengevolge vergunningplichtig was. In zoverre faalt het betoog.