ECLI:NL:RVS:2008:BD4448
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende risico op schending artikel 3 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van een alleenstaande vrouw uit Liberia tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling stelde dat zij vanwege haar etnische afkomst tot de Mandingo bevolkingsgroep en haar kwetsbare positie als alleenstaande vrouw een reëel risico loopt op ernstige mensenrechtenschendingen bij terugkeer naar Liberia.
De rechtbank had de aanvraag afgewezen en het beroep ongegrond verklaard. De Raad van State overwoog dat het UNHCR-rapport en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken onvoldoende aanwijzingen bevatten dat de Mandingo bevolkingsgroep als zodanig dermate kwetsbaar is dat leden automatisch bescherming verdienen. Ook was niet vastgesteld dat de vreemdeling persoonlijk in het verleden is blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
De Raad van State bevestigde dat voor een geslaagd beroep op artikel 3 EVRM Pro specifieke individuele kenmerken vereist zijn die een verhoogd risico aantonen. De stelling dat familieleden van de vreemdeling om hun etnische afkomst zijn gedood, was onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd wegens onvoldoende aannemelijk gemaakt risico op schending artikel 3 EVRM.