ECLI:NL:RVS:2007:BB5779
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ongewenstverklaring Liberiaanse Mandingo onder artikel 3 EVRM
Appellant, behorend tot de Mandingo bevolkingsgroep uit Liberia, werd ongewenst verklaard door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie. Hij voerde aan dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, mede op basis van een rapport van de UNHCR over de zorgwekkende situatie van de Mandingo groep in Liberia.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad van State vernietigde dit vonnis omdat de rechtbank onvoldoende had beoordeeld of het UNHCR-rapport aanleiding gaf voor een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vervolgens het beroep beoordeeld en geoordeeld dat appellant onvoldoende persoonlijke feiten en omstandigheden heeft gesteld die aantonen dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een verboden behandeling.
Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Salah Sheekh) bevestigt dat individuele kenmerken moeten worden aangetoond om een reëel risico te bewijzen. Hoewel de Mandingo groep bijzondere aandacht verdient, betekent dit niet dat elk lid automatisch bescherming geniet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant dit niet aannemelijk heeft gemaakt.
Verder faalt het beroep van appellant dat de ongewenstverklaring hem in een onmogelijke positie brengt, omdat hij niet heeft onderbouwd dat terugkeer onmogelijk is. De Afdeling verklaart het beroep ongegrond en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij onvoldoende persoonlijk risico op schending van artikel 3 EVRM heeft aangetoond.