ECLI:NL:RVS:2008:BD5503
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken nieuwe feiten
De vreemdeling had eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend die op 13 juli 2006 werd afgewezen. Deze afwijzing werd door de rechtbank en de Raad van State bevestigd, waardoor het besluit in rechte onaantastbaar werd. Op 14 februari 2008 diende de vreemdeling een nieuwe aanvraag in, waarop de staatssecretaris opnieuw negatief besliste. De voorzieningenrechter verklaarde dit besluit onterecht en vernietigde het.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de voorzieningenrechter de eerdere uitspraak van 1 maart 2007 onjuist had gelezen. De Raad van State benadrukte dat bij herhaalde aanvragen zonder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden geen nieuwe toetsing door de rechter plaatsvindt.
De vreemdeling had aangevoerd dat zij een dochter had gekregen die risico loopt op besnijdenis en dat haar gezondheid was verslechterd, maar deze feiten waren al bekend of niet voldoende onderbouwd. Daarom was er geen sprake van nieuwe feiten die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.