ECLI:NL:RVS:2008:BD6657
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris bij uitzetting vreemdeling met Chinees paspoort
De vreemdeling werd op 4 mei 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij beschikte over een Chinees paspoort en een Italiaanse identiteitskaart, en verklaarde een verblijfstitel voor Italië te hebben. De staatssecretaris gaf bij de rechtbank aan dat een vertrekgesprek met de vreemdeling zou plaatsvinden, waarna een vlucht naar China geboekt zou worden of een Dublinclaim bij Italië zou worden ingediend. Echter, er werd geen termijn genoemd voor dit gesprek en er werden geen concrete stappen ondernomen om de uitzetting te effectueren.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, maar de Raad van State stelde dit oordeel ter discussie. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het ontbreken van voortvarendheid niet per definitie onrechtmatigheid betekent, maar dat in dit geval geen bijzondere omstandigheden waren die het uitblijven van uitzetting rechtvaardigden. Hierdoor was de bewaring niet in redelijke verhouding tot de belangen van de vreemdeling.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De bewaring werd als onrechtmatig beoordeeld en de vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend over de periode van 4 tot 31 mei 2008. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting; het beroep is gegrond verklaard en vergoeding toegekend.