ECLI:NL:RVS:2008:BD2764
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, die de vreemdelingenbewaring van een vreemdeling onrechtmatig had verklaard wegens onvoldoende voortvarendheid bij het indienen van een Dublin-claim.
De vreemdeling verbleef van 6 januari tot 16 februari 2008 in strafrechtelijke detentie en werd op 16 februari 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De staatssecretaris startte pas op 27 februari 2008 met voorbereidingen voor de Dublin-claim, wat de rechtbank als te traag beoordeelde. De staatssecretaris voerde aan dat de vreemdeling tijdens een gehoor verklaarde dat hij een Turks paspoort in Frankrijk had en dat zijn zuster dit zou brengen, waardoor uitzetting pas later mogelijk was.
De Raad van State oordeelt dat hoewel de voortvarendheid bij de uitzetting ontbrak, dit niet automatisch de bewaring onrechtmatig maakt. Er moet een belangenafweging plaatsvinden tussen de ernst van het gebrek en de met de bewaring gediende belangen. De belangen van de staatssecretaris, waaronder de strafrechtelijke veroordeling en de verklaring van ongewenstheid van de vreemdeling, wegen zwaarder dan de belangen van de vreemdeling. Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.