Uitspraak
200407247/1zijn de gevolgen van een weigering de Afdeling toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Abw, te verlenen om van stukken kennis te nemen in beginsel voor degene die de toestemming heeft geweigerd. Naar het oordeel van de Afdeling geldt hetzelfde indien, zoals in dit geval, de toestemming als bedoeld in artikel 87, eerste lid, tweede volzin, van de Wiv aan de orde is. In aanmerking genomen de aard van de inlichtingen en stukken die onder het bereik van artikel 87 van Pro Wiv vallen en het belang van de staatsveiligheid dat daarbij geacht kan worden aan de orde te zijn, vormt het enkele feit dat, indien artikel 87 van Pro de Wiv van toepassing is, niet door de rechter wordt getoetst of het standpunt van de minister dat alleen de rechter kennis mag nemen van de stukken gerechtvaardigd is, geen grond om van het uitgangspunt dat de gevolgen van de weigering toestemming te verlenen voor rekening van betrokkene dienen te komen, af te wijken. Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat, zoals zij eerder heeft overwogen in de door [wederpartij] genoemde uitspraak van 11 april 2007, de procedure neergelegd in artikel 87, eerste lid, van de Wiv in verbinding met artikel 8:29 van Pro de Awb de effectiviteit van de rechterlijke controle verzekert, hetgeen bevestiging vindt in de beslissing van het EHRM van 5 april 2005, Brinks tegen Nederland, no. 9940/04.