ECLI:NL:RVS:2008:BD9028
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris bij uitzetting vreemdeling ondanks geldige bewaring
De vreemdeling werd op 24 april 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank wees het beroep af, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht of de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld bij de voorbereiding en uitvoering van de uitzetting.
De Afdeling constateerde dat de staatssecretaris vanaf 30 april 2008 beschikte over een kopie van het UNMIK travel document, maar dat de stukken onnodig lang bij de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) en de afdeling Bijzonder Vertrek lagen. Ondanks feestdagen en blokdagen werd geen bijzondere voorziening getroffen om vertraging te voorkomen, waardoor niet de vereiste meer dan gebruikelijke voortvarendheid werd betracht.
Desondanks oordeelde de Afdeling dat het ontbreken van voldoende voortvarendheid niet automatisch onrechtmatigheid betekent. Omdat de belangen van de openbare orde zwaarder wogen en de vreemdeling de gronden van de bewaring niet betwistte, was er geen sprake van een onevenredige inbreuk. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, maar het beroep zelf ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard ondanks onvoldoende voortvarendheid, en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.