ECLI:NL:RVS:2008:BD9928
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- C.W. Mouton
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit burgemeester over intrekking gedoogbeschikking softdrugs
De burgemeester van Den Haag had bij besluit van 22 februari 2006 een eerdere intrekking van een gedoogbeschikking voor de verkoop van softdrugs in een recreatie-inrichting herroepen en vervangen door een mededeling dat handhavend zou worden opgetreden. Hiertegen maakte de wederpartij bezwaar. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit, voor zover het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De burgemeester stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond had verklaard, omdat de intrekking van een gedoogbeschikking geen besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De Afdeling vernietigde het besluit van 22 februari 2006 en verklaarde het bezwaar van de wederpartij niet-ontvankelijk.
De Afdeling stelde vast dat eerdere uitspraken van de rechtbank die dit miskenden niet tot rechtsmiddelen hadden geleid, maar dat ambtshalve moest worden onderzocht of bezwaar tegen een besluit was gemaakt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van de Afdeling treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de gedoogbeschikking wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van de burgemeester wordt vernietigd.