Uitspraak
200507730/1, volgt dat een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee opkomt voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende op 24 juli 2007 een milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een biomassaverwerkingsbedrijf. Deze vergunning werd door verschillende partijen, waaronder LTO Noord en de Vechtplassencommissie, aangevochten bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het beroep op 17 juni 2008.
De Afdeling oordeelde dat het beroep van omwonenden en andere belanghebbenden, op grond van afstand en belangen, niet ontvankelijk was. LTO Noord en de Vechtplassencommissie werden wel als belanghebbenden erkend. Het college had bij de vergunningverlening moeten bepalen of een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk was, omdat de inrichting een capaciteit van meer dan 100 ton per dag heeft. Dit is niet gebeurd, waardoor het besluit in strijd is met artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
Het college had de aanvraag buiten behandeling moeten laten totdat duidelijk was of een MER vereist was. Het besluit is daarom vernietigd. Het verzoek om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten is afgewezen. Het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd wegens het ontbreken van een verplichte milieueffectrapportage.