ECLI:NL:RVS:2019:2330
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroep geurhinder handhaving
Het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre wees het verzoek tot handhaving tegen geurhinder veroorzaakt door twee bedrijven te Lichtenvoorde af. Appellanten, waaronder appellant A, B, C en anderen, stelden beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant C en anderen niet-ontvankelijk wegens onduidelijkheid over de gemachtigden, en het beroep van appellant A en B ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant C en anderen dat de rechtbank ten onrechte hun beroep niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het beroepschrift verwees naar een lijst van bezwaarmakers en het beroep was ingediend door een advocaat, waardoor machtigingen niet nodig waren. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onterecht het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, omdat de advocaat er borg voor staat dat hij gemachtigd is.
Het hoger beroep van appellant A en B werd inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard, omdat het college terecht oordeelde dat handhaving tegen het ontbreken van een aarden wal onevenredig is. Nieuwe betogen over geuronderzoek en beleid werden buiten beschouwing gelaten wegens niet tijdig ingebracht. De Raad van State vernietigde het niet-ontvankelijkheidsbesluit en verklaarde het beroep van appellant C en anderen alsnog ongegrond, bevestigde het oordeel over appellant A en B, en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant C en anderen wordt gegrond verklaard voor niet-ontvankelijkheid maar inhoudelijk ongegrond, het beroep van appellant A en B wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.