ECLI:NL:RVS:2008:BE8968
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- P.A. Offers
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijkheid inbewaringstelling vreemdeling ondanks tegenwerping artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De staatssecretaris van Justitie stelde de vreemdeling op 19 mei 2008 in vreemdelingenbewaring wegens het vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde dit besluit onredelijk en hechtte onvoldoende gewicht aan de belangenafweging, mede omdat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet als grondslag voor de bewaring was gebruikt.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de omstandigheden dat de vreemdeling niet wil terugkeren naar Afghanistan en dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in zijn asielprocedure is tegengeworpen. De staatssecretaris mocht dit betrekken in zijn belangenafweging, ook al was dit niet expliciet de grondslag voor de bewaring.
Verder concludeert de Afdeling dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelde dat de openbare orde de inbewaringstelling vorderde vanwege het risico op onttrekking aan uitzetting. De vreemdeling had sinds 1998 in Nederland verbleven, was vader van een jong kind, maar verbleef sinds oktober 2007 illegaal en werkte niet mee aan uitzetting. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling blijft gehandhaafd.