Uitspraak
200602676/1, is de vergunning van 27 oktober 1977 met het onherroepelijk worden en in werking treden van een voor de inrichting op 21 februari 1996 verleende vergunning op grond van artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer komen te vervallen. De vergunning van 21 februari 1996 is op grond van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer komen te vervallen. Nadien voor de inrichting verleende vergunningen zijn vernietigd door de Afdeling. Van een geldende vergunning waaraan rechten kunnen worden ontleend is ten aanzien van de inrichting derhalve geen sprake. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat in het rapport ten onrechte een vergelijking wordt gemaakt tussen de ammoniakdepositie in de aangevraagde situatie en de ammoniakdepositie in de in 1977 vergunde situatie en de sinds 2002 feitelijk bestaande situatie. Los van deze vergelijking kan volgens het rapport niet met zekerheid worden geconcludeerd dat de ammoniakdepositie door de inrichting niet tot significante negatieve gevolgen voor het gebied "De Bruuk" leidt. Gelet hierop is de voorzitter met het college van oordeel dat ten tijde van het besluit van 5 augustus 2008 zodanig onzeker was dat de Habitatrichtlijn verlening van de voor de inrichting aangevraagde vergunning toelaat dat op dat moment geen concreet uitzicht op legalisatie kon worden aangenomen.