ECLI:NL:RVS:2008:BG5092
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.W.M. Bijloos
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid hoger beroep en procesbelang na opheffing vreemdelingenbewaring
De vreemdeling was op 26 september 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank ’s Gravenhage verklaarde het beroep tegen deze bewaring op 15 oktober 2008 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep bij de Raad van State in, nadat hij op 21 oktober 2008 in vrijheid was gesteld.
De staatssecretaris betoogde dat het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn wegens gebrek aan procesbelang, omdat de vreemdeling inmiddels was vrijgelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp dit betoog en overwoog dat de opheffing van de bewaring niet betekent dat de maatregel niet heeft bestaan of met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt. De vreemdeling kan ook na opheffing de rechtmatigheid van de bewaring laten toetsen.
De inhoudelijke grieven in het hoger beroep konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat er geen vragen waren die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Tot slot werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 13 november 2008 in het openbaar gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard maar kennelijk ongegrond en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.