ECLI:NL:RVS:2007:BB8314
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep op opheffing vreemdelingenbewaring en schadevergoeding
Appellant was in vreemdelingenbewaring gesteld en deze maatregel werd op dezelfde dag opgeheven. Hij stelde beroep in tegen de maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en oordeelde zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.
De Raad van State oordeelt dat artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet vereist dat het beroep vóór de opheffing van de bewaring moet zijn ingesteld. De opheffing maakt niet dat de maatregel niet heeft bestaan of met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt. De vreemdeling behoudt het recht om ook na opheffing de rechtmatigheid van de maatregel te laten toetsen.
Daarom heeft appellant wel degelijk procesbelang bij het beroep en was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling. Tevens worden de proceskosten vastgesteld en wordt de rechtbank opgedragen hierover te beslissen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.