ECLI:NL:RVS:2008:BG5095
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens motiveringsgebrek en toetsing artikel 15 richtlijn
De vreemdeling kreeg bij besluit van 27 juni 2007 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het besluit van de staatssecretaris een motiveringsgebrek bevatte doordat niet was getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG, waarin bescherming wordt geboden bij binnenlandse gewapende conflicten. De staatssecretaris had in het verweerschrift een andere motivering gegeven dan in het besluit, wat niet is toegestaan.
Verder werd overwogen dat het voornemen en het besluit voldoende dragende overwegingen bevatten, zodat geen nieuw voornemen nodig was ondanks toevoeging van een grond in het besluit. De Raad van State vernietigde het besluit van 27 juni 2007 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Ten slotte werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling. De situatie in Burundi werd beoordeeld aan de hand van ambtsberichten en internetberichten, waarbij niet aannemelijk was gemaakt dat er nog een binnenlands gewapend conflict gaande was dat bescherming op grond van artikel 15 rechtvaardigt Pro.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd vanwege een motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.